DE PHILIPS STORY

-


.

.

WAAR en HOE het BEGON...

                           In deze bescheiden ruimte voerden de stichters hun proeven uit.

VAN GLOEILAMPENFABRIEK TOT MULTINATIONAAL ELEKTRONICACONCERN

Als eerbetoon aan de illustere stichters en de bekwame en toegewijde personeelsleden die zich jarenlang ten dienste stelden van het concern is de PHILIPS story meegenomen in het verhaal.

Van idee tot wereldconcern...

De PHILIPS story:

De eerste gloeilampenfabriek van Philips is een gebouw op adres Emmasingel 31 in het centrum van Eindhoven. Het ligt tegenover de Witte Dame en naast de Admirant. Het is eigendom van Philips. Het is een zeldzaam voorbeeld van een kleinschalig fabrieksgebouw en het is nu een rijksmonument.


Aan de straatkant bestaat het uit twee blokken, links met twee zadeldaken, rechts met een schilddak. Tussen de twee blokken bevinden zich de ingang en een schoorsteen. Daarachter bevinden zich een kantoor en een fabriekshal met lichtkappen. Op de schoorsteen is een plaquette aangebracht van GERARD PHILIPS van de hand van Louise Beijerman.

De oude site waar het allemaal begon,

en de gloeilamp, één van de eerste fabricaten.

In het gebouw is sinds 2013 het Philips museum gevestigd.

Het oorspronkelijke gebouw dateert uit 1869. Het is gebouwd als stoomspijkerfabriek in opdracht van Franciscus en Henricus Raijmakers. In 1871 fungeerde het als draadtrekkerij en draadnagelfabriek. De draadtrekkerij stopte in 1872. Franciscus overleed en de fabriek werd verkocht aan Johan Schröder die er vanaf 1876 bukskin en lakens fabriceerde. In 1879 en 1880 werd de fabriek uitgebreid. Op 12 april 1888 brak er brand uit; Van het pand kon vrijwel niets worden gered. De heropbouw werd nog in 1888 gestart. De oudste delen van het huidige gebouw dateren dus, in strijd met vermeldingen uit vele bronnen, uit 1888/1889. Per 7 juni 1890 werd het bedrijf geliquideerd en kwam het pand leeg te staan.

In 1891 werd het gekocht door Gerard Philips voor 12150,- gulden en in gebruik genomen als fabriek voor de fabricage van gloeilampen en de kooldraad die daarin zat. Ook werd er onderzoek- en ontwikkelingswerk gedaan.

In 1907 werd de productie en 1909 het ontwikkelingswerk overgebracht naar de nieuwbouw aan de overzijde van de straat. Het pand fungeerde als chemisch magazijn en als pakhuis. Op 26 oktober 1926 brak brand uit in het magazijn Van het pand konden alleen het kantoor, de schoorsteen en delen van het voorfront worden gered. Het pand werd in 1926 of wellicht pas in 1930 in oude staat hersteld, waarna het tot 1934 leeg stond. In 1934 nam de afdeling Neon het in gebruik. In 1944 werd de productie van fluorescentiepoeders er ondergebracht (voor tl-buizen).

Bij het 60-jarig bestaan van het Philipsconcern in 1951 werd de plaquette op de schoorsteen aangebracht. Jet pand werd toen in gebruik genomen als het Philips Demonstratielaboratorium ("Demlab"). Dit duurde veertig jaar, tot 1991.

Binnen Philips heeft het pand de gebouwcode "EN".

Museaal gebruik

Vanaf 1991 was het gebouw tien jaar het onderkomen van het Concernarchief van Philips (Philips Archives). Ook de stichting Lichteffecten in de Schilderkunst en Sculptuur kreeg er een onderkomen. Sinds 27 maart 2002 heeft het nog enkel een museumfunctie. Toen het museum Philipsfabriek 1891 werd geopend, is een maand later het Centrum Kunstlicht in de Kunst (per 5 december 2010 gesloten.

Sinds 2001 is het een rijksmonument. In april 2011 werd het hele gebouw gesloten voor een verbouwing, waarbij het in oude staat werd teruggebracht met een glazen façade aan de voorzijde. Zodoende is de ingang terug verplaatst naar de Nieuwe Emmasingel. Op 5 april 2013 werd op deze locatie, het Philips museum door de toenmalige Koningin Beatrix geopend. De bestaande opstelling van oude apparatuur voor fabricage van gloeilampen is blijven bestaan.

De basis 
De basis voor wat een van 's werelds grootste elektronicaondernemingen zou worden, werd op 15 mei 1891 
gelegd toen Frederik Philips (tabakshandelaar, fabrikant en bankier) en zijn zoon Gerard (werktuigbouwkundig ingenieur) een onderhandse akte ondertekenden waarmee hun vennootschap Philips & Co. werd opgericht met als doel "het fabriceren van gloeilampen en andere elektro-technische artikelen". Eindhoven werd als vestigingsplaats gekozen en voor weinig geld kon een geschikt leegstaand fabrieksgebouw worden gekocht. Reeds in 1895 werd een begin gemaakt met internationale marktbewerking. De jongere broer Anton begon heel Europa af te reizen om gloeilampen te verkopen. In 1900 was Philips al een van de grootste producenten van kooldraadlampen van het Europese vasteland. In het begin van de twintigste eeuw werden in verschillende landen vertegenwoordigingen in het leven geroepen. Door de snel toenemende werkgelegenheid begon Philips steeds meer zijn stempel op de Eindhovense omgeving te zetten. Het bedrijf stond bekend om zijn goede sociale voorzieningen. Op 29 augustus 1912 werd de N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken opgericht, waarvan aandelen op de Amsterdamse Beurs werden geplaatst.

Lampen en radio's
Voor de Eerste Wereldoorlog had Philips in de Verenigde Staten en Frankrijk reeds verkoopondernemingen opgericht. Toen de aanvoer van gassen en glas voor de gloeilampen in de Eerste Wereldoorlog stagneerde, richtte Philips eigen toeleverende bedrijven op en begon het ook met het opzetten van eigen buitenlandse productie- en verkooporganisaties. In de jaren twintig van de vorige eeuw steeg het aantal van deze verkoopondernemingen explosief. De

ontwikkeling van nieuwe verlichtingstechnieken was de motor achter een voortgaande groei. Om produktinnovatie verder te bevorderen, richtte Gerard Philips in 1914 het Natuurkundig Laboratorium (NatLab) op dat uitgroeide tot de bakermat van vele nieuwe technologieën. In het NatLab begon men bijvoorbeeld met de ontwikkeling van röntgenbuizen en radiobuizen, de basis van de latere divisies Medische Systemen en Consumentenelektronica. Het was de eerste stap in de richting van produktdiversificatie. In 1918 bracht Philips een

eerste radio elektronenbuis en een medische röntgenbuis op de markt en 1925 speelde Philips een actieve rol in de eerste experimenten op het gebied van televisie. De onderneming begon in 1927 met het produceren van radio's en had er tegen het jaar 1932 één miljoen verkocht. Een jaar later had Philips 100 miljoen radiobuizen geproduceerd. Vanaf 1926 brengt Philips diverse natrium- en kwikdamplampen op de markt. De laatste vormen vanaf 1937 de basis voor de Biosol hoogtezon lijn. In 1945 verschijnen de eerste

Ultraphil hoogtezonnen op basis van menglichtlampen. Onderzoek naar kwikdamp  ontladingslampen voerde Philips vanaf 1927 via de productie van vitamine D ook de farmaceutische industrie in. Uiteindelijk resulteerde dit in de oprichting van Philip-Duphar N.V. in 1959.

Expansie
Mede door de reeds vergevorderde internationalisering kon Philips de Tweede Wereldoorlog goed doorstaan.  D
e in 1940 ontwikkelde gloeilamp met inwendige reflector startte Philips in 1946 met de productie en verkoop van Infraphil warmtelampen. In 1948 werden de eerste TL-buizen door Philips op de markt gebracht.

Uitvindingen
Philips heeft talloze nieuwe vindingen op haar naam staan: allerlei typen gasontladingslampen, de halogeenlamp, de compact cassettebandjes (1963) en de videocassette (1972). Philips leverde tevens een zeer grote bijdrage aan de ontwikkeling van de opname, overdracht en weergave van televisiebeelden. Philips' onderzoeksactiviteiten op het gebied van verlichting leverden een bijdrage aan de ontwikkeling van de nieuwe spaarlampen PL en SL. Philips was ook verantwoordelijk voor belangrijke doorbraken op het gebied van de verwerking, opslag en overdracht van beeld, geluid en gegevens, wat leidde tot de uitvinding van de CD of Compact disc (1983) en de Video-CD (1987).

Herstructurering
In 1983 werden de lampen-activiteiten van Westinghouse overgenomen. In 1984 bereikte Philips het productieaantal van 100 miljoen tv-toestellen en in 1995 het productieaantal van 300 miljoen elektrische Philishave scheerapparaten. Philishave was daarmee één van de succesvolste van de vele merknamen waarin de naam Philips verwerkt werd. Vanaf 1990 voerde de onderneming een omvangrijk herstructureringsprogramma door en de naam veranderde via Philips Electronics N.V. (1994) in Koninklijke Philips Electronics N.V. (1998). Vanaf de eeuwwisseling richtte Philips zich steeds meer op zijn kernactiviteiten Licht, Consumentenproducten en Gezondheidszorg. Vandaag de dag is Philips een toonaangevende onderneming in de digitale revolutie en brengt zij producten van wereldklasse op de markt met het doel ook in dit millennium de kwaliteit van leven te verbeteren.

Gerard Philips


Gerard Leonard Frederik Philips
(Zaltbommel, 9 oktober 1858- Den Haag, 25 januari 1942) was een Nederlands industrieel. Hij was directeur van de NV Philips' Gloeilampenfabrieken

Biografie

Jeugd en studententijd

Philips werd geboren als oudste zoon van de bankier Frederik Philips en Maria (Betsy) Heyligers. Hij volgde de HBS in Zaltbommel en Arnhem. In 1876 schrijft hij zich in als student aan de Polytechnische School te Delft, waar hij in 1883 afstudeerde als werktuigbouwkundig ingenieur.

Hij begint te werken op scheepswerven in Vlissingen en Glasgow. Een reeks artikelen van James Swinburne in het toenmalige vakblad 'The Electrician' over de elektrische gloeilamp wekte zijn belangstelling. In zijn werk- en leefomgeving ziet hij ook de praktijk: gloeilampinstallaties werden in die tijd in Glasgow al op vrij grote schaal toegepast voor scheepsverlichting, verlichting in fabrieken, winkels, theaters, straatverlichting enzovoorts. Philips gaat zich in deze nieuwe ontwikkelingen verdiepen. In het najaar van 1886 begint hij met een avondstudie in elektrisch licht en krachtoverbrenging aan het Glasgow College of Science and Arts. Bovendien laat hij zich inschrijven bij de Universiteit van Glasgow voor een onderzoeksgroep onder leiding van de grote natuurkundige Sir William Thomson (de latere Lord Kelvin). Een examen leverde hem een zilveren medaille op en de prijs voor het hoogst behaalde cijfer.

Buitenland en bedrijfsleven

Philips verlaat Schotland en werkt enige jaren in verschillende functies in Londen en Berlijn, onder andere voor de Anglo-American Brush Electric Light Corporation Ltd. Hij doet ervaring op in productie, installatiewerk, bedrijfsvoering en internationale handelspolitiek. In 1889 wordt hij door Emil Rathenau -oprichter van de Deutsche Edison Gesellschaft- uitgenodigd om in Amsterdam tijdelijk de vertegenwoordiging van zijn firma op zich te nemen. Gerard is dan 31 jaar. Daar worden, in de periode van zomer 1890 tot einde februari 1891, min of meer de fundamenten van de latere Philips gloeilampenfabrieken gelegd. Philips is tot het besef gekomen dat hij zijn toekomst niet zozeer moet zoeken in handels- of installatiewerk. Hij wordt meer aangetrokken door het werk als fabrikant. Gloeilampen lijken een haalbare uitdaging. Hij vindt in een van zijn vrienden, Jan Jacob Reesse, een partner voor het idee om langs wetenschappelijke weg een eigen methode te ontwikkelen voor de fabricage van gloeilampen.

Gloeilampen

Jan Reesse (1853-1910) is scheikundig technoloog, net teruggekeerd uit Java. In de plannen van Gerard ziet hij mogelijkheden om zijn laboratoriumervaring, met name in experimenten bij zeer hoge temperaturen, toe te passen. Tegen de tijd dat de tijdelijke opdracht bij AEG ten einde loopt, beginnen Gerard en Jan in diens woning aan de Herengracht 220 - systematisch experimenterend - uit te zoeken hoe betrouwbaar kooldraden kunnen worden gemaakt. Onder vacuüm en elektrische spanning worden die getest als lichtgevende gloeidraden. Hun eerste gloeidraden worden gespoten uit een vloeistof die gemaakt wordt door cellulose (chemisch gezuiverde watten) op te lossen in geconcentreerde zinkchloride. Om het vereiste geleidingsvermogen voor elektrische stroom te verkrijgen wordt de cellulosedraad verkoold (gecarboniseerd). Daarmee volgen de beide onderzoekers een andere weg dan bijvoorbeeld Edison, die uitgaat van bamboe, waarvan de kwaliteit wisselvallig is en de bewerking veel ambachtelijke arbeid vraagt. Ook de Engelsman Swan gebruikt organisch materiaal: katoen, dat hij in zwavelzuur perkamenteert. In de opvatting van Philips en Reesse is het de kunst om een gelijkmatige draad van precies de gewenste samenstelling te verkrijgen en een proces te ontwikkelen waarmee de kwaliteit ook bij industriële fabricage beheerst kan worden, tegen aanvaardbare kosten. Voor de toepassing in gloeilampen dienen ze bovendien goede oplossingen te vinden voor de montage van de gloeidraden in de glasballon, het vacuümpompen en de elektrische aansluitingen met de doorvoerdraden naar de lampvoet. De levensduur vormt een kritiek probleem. De eerste experimentele gloeilampen (1802-1860, Davy, Jobard, De Moleyns, Starr, Swan) brandden al snel door. De lamp van Edison uit 1879 hield het al langer uit en brandde enige honderden uren. Een lange levensduur was een belangrijk punt bij de concurrentiestrijd.

Fabriek

In enkele maanden krijgen Philips en Reesse genoeg vertrouwen dat de mogelijkheid van een gloeilamp fabriek erin zit. Wel is duidelijk dat door de sterke concurrentie het geen makkelijke taak zal zijn. Duitsland beheerst de markt en de prijzen van gloeilampen gaan omlaag. Philips wil bewust kleinschalig beginnen om eerst het vak te leren zonder al te grote risico's te lopen. Een directie met twee (dure) ingenieurs past hier niet bij. Eind 1890 zag Reesse dan ook van samenwerking af. Philips kocht samen met zijn vader, die als geldschieter fungeerde, in Eindhoven een oud fabriekje aan de Emmasingel. Op15 mei 1891 richtten vader en zoon Philips te Eindhoven de firma Philips & Co op, die kooldraadgloeilampen "en andere elektro-technische artikelen" ging maken. Vanaf 1895 werkte ook zijn jongere broer Anton Philips in het bedrijf; per 1 april1899 als mede-firmant. Op 9 oktober 1907 werd de NV Philips' Metaalgloeilampenfabriek opgericht, die gloeilampen met een metaaldraad ging maken, en per 29 augustus 1912 brachten de broers alle activiteiten onder in de NV Philips' Gloeilampenfabrieken.

Laatste jaren

Gerard Philips stichtte in 1914 het Natuurkundig Laboratorium van Philips, en op 1 juli 1916 samen met zijn echtgenote het Philips-van der Willigen Studiefonds, een fonds dat tot en met 2015 kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen van oud-Philipsmedewerkers financiële bijstand gaf voor het volgen van een erkende MBO, HBO of universitaire opleiding. Op 8 januari 1917 ontving hij een eredoctoraat van de Technische Hoogeschool te Delft. Gerard Philips trad op 1 april 1922 af als directeur van Philips, en werd opgevolgd door zijn broer Anton. Gerard Philips werd commissaris bij enkele bedrijven. Hij vestigde zich in Parijs en later in Cannes. In 1931 keerde hij terug naar Nederland, en vestigde hij zich in Den Haag, waar hij op 83-jarige leeftijd overleed.

Anton Frederik Philips

(Zaltbommel, 14 maart 1874 - Eindhoven, 7 oktober1951) was een Nederlands ondernemer. Hij is de bouwer van het huidige Philips-concern. In de jaren dertig gaf hij de aanzet tot de ontwikkeling van Philips tot multinational.

Leven en werk

Anton Philips werd geboren als de zoon van Frederik Philips en Maria Heyligers in een gezin waar hij de achtste van negen kinderen was. Zijn vader had goed geld verdiend in de tabakshandel. Als scholier was de jonge Philips geen succesnummer. Hij bleef zitten op de plaatselijke HBS en maakte de opleiding niet af. Op initiatief van zijn vader verhuisde hij op 17-jarige leeftijd naar Amsterdam om daar verder te studeren aan de Openbare Handelsschool, maar hij haakte daar na twee jaar af. Na bemiddeling van opnieuw zijn vader kreeg hij een baantje op de effectenbeurs van Amsterdam en daarna Londen. Het vak van handelaar leek meer op de jonge Philips toegesneden dan de rol van student.

Op twintigjarig leeftijd keerde Philips naar Eindhoven terug, waar zijn vader en broer Gerard een gloeilampfabriekje hadden opgericht. Anton kon aan de slag als verkoper. De gloeilamp was recent ontdekt en het aantal gebruikers was nog beperkt. Het jonge bedrijf moest vooral de concurrentie aangaan met grote Duitse bedrijven als AEG en Siemens & Halske. Anton Philips begon rond te trekken in Nederland, België en het westen van Duitsland en wist daar menig order voor de fabriek in de wacht te slepen die mede daardoor erg groeide.

Door zijn doortastende optreden wist hij het bedrijf uit te bouwen tot een grote onderneming. Anton was een harde onderhandelaar. Met kracht en inzet van zijn hele persoon heeft hij het bedrijf waarover hij sinds 1915 de scepter zwaaide, groot gemaakt.

In 1898 trouwde Anton met Anna de Jongh, dochter van Gerrit de Jongh, directeur Gemeentewerken van Rotterdam. Hun dochter Henriëtte Anna Philips trouwde in 1938 met Henk van Riemsdijk, die later ook bestuursvoorzitter van Philips zou worden.

In de Eerste Wereldoorlog maakte hij handig gebruik van de boycot van Duitse producten in landen als Rusland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De technisch superieure producten mochten niet meer geleverd worden in die landen en Philips slaagde erin daar een aanzienlijk marktaandeel te veroveren.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte Anton Philips naar de Verenigde Staten terwijl zijn zoon Frits het bedrijf vanuit Eindhoven leidde.

WIST JE DAT...

Anton Philips een achterneef was van de vader van het communisme KARL MARX? In de winter van 1863-64 bezocht Karl de familie in Zaltbommel. Toen Philips met dit feit indruk trachtte te maken op Lenin om orders in de Sovjet-Unie binnen te halen zou deze hebben geantwoord "dat de heer Philips blijkbaar het boek

Das Kapital óf niet gelezen óf niet begrepen had."

Muziekcassette

Drie muziekcassettes

Een muziekcassette, cassettebandje, compact cassette of simpelweg bandje is een magneetband die wordt gebruikt als geluidsdrager, in een speciaal daarvoor gemaakte vaste doos (cassette).

Ontstaan

De compact cassette is een ontwikkeling geweest van Philips in 1963 in zijn vestiging in Hasselt, en was bijzonder populair naast de grammofoonplaat voordat de digitale geluidsdragers werden ontwikkeld. Een muziekcassette kan worden afgespeeld met een cassetterecorder, een cassettedeck of een walkman. Compact cassettes werden in de jaren tachtig ook gebruikt als opslagmedium voor homecomputers.

Hoewel er andere magnetische tape-systemen waren, werd de compact cassette dominant doordat Philips geen royalty's vroeg voor gebruik van het patent. Philips stelde wel enkele kwaliteitseisen.

Een musicassette (mc) is een cassette waarop reeds in de fabriek muziek is opgenomen. Men verwachtte dat deze de grammofoonplaat zou vervangen. Om deze te kunnen afspelen kwamen er cassettespelers op de markt, die dus niet geschikt waren om op te nemen.

Als opnamemedium is de compact cassette verdrongen door de beschrijfbare compact disc en in mindere mate door de minidisc. Philips ontwikkelde als opvolger nog wel de digital compact cassette (dcc), die echter geen succes werd.

De laatste in de Benelux die nog cassettebandjes maakt, levert en vult met muziek is Kees van Dorth in Wierden.

Eigenschappen

Dankzij de compact cassette konden goedkopere, makkelijker te bedienen en bovenal compactere audioapparaten worden gemaakt. Het inrijgen van de band in het afspeelapparaat - zoals bij zijn voorganger de spoelenband - verviel en zelfs halverwege de speeltijd kon de cassette uit het apparaat gehaald worden, iets dat bij banden op de spoel onherroepelijk tot schade aan de band leidt.

De oudste cassettes hadden slechts twee sporen, de A-kant en de B-kant, dus voor mono- geluid, maar al vrij gauw verschenen er stereorecorders, dus met vier sporen. Deze recorders verschillen in enkele punten van de viersporige spoelenrecorder: de sporen voor links en rechts liggen naast elkaar, zodat mono en stereo volledig uitwisselbaar zijn, en het is niet mogelijk alleen het linker- of alleen het rechterkanaal af te spelen of op te nemen.

Een stereomusicassette is herkenbaar aan een sterretje op de rugtitel.

In de meeste gevallen werd de compact cassette ingezet als 4-sporen-medium: links/rechts (stereo) A-kant en de B-kant waarop (geluids-)signalen langs magnetische weg analoog konden worden opgenomen (opgeslagen). Bij de meeste spelers moest de cassette fysiek worden omgedraaid om de B-kant te beluisteren, maar in de loop der jaren werden zogenaamde autoreverse-decks op de markt gebracht die zonder omdraaien weergaven (en soms ook opname) van beide kanten mogelijk maakten. Bij de meeste decks gebeurde dit door het omdraaien van de opname/weergavekop als het eind van de tape bereikt was, wat resulteerde in een onderbreking van het opgenomen materiaal van ca. 8 seconden. Cassettes bevatten aan beide einden een aanloopstrook die uit materiaal bestaat waarop geen magnetische laag is aangebracht (en waarop dus geen geluid kan worden opgenomen). Akai bijvoorbeeld produceerde decks die de overgang van de magnetische tape naar de aanloopstrook herkenden, waardoor de onderbreking minder dan een seconde duurde.Nakamichi bracht een kwalitatief hoogstaand deck op de markt met een voorziening aan de buitenzijde van het apparaat die de cassette fysiek omdraaide. Ook Philips produceerde een recorder die de cassette op deze manier omdraaide.

Afhankelijk van de toegepaste koppen (het deel van het opname-/weergaveapparaat dat fysiek contact met de band maakt om deze te beschrijven (dan wel te lezen) en de opsplitsing ervan in verschillende elektromagnetische eenheden zijn ook andere spoorindelingen mogelijk zoals 2-spoor (mono A-kant, mono B-kant) of 4- dan wel 8-spoor in slechts één bandlooprichting (geen B-kant!). De geringe breedte van de band (3,81 mm) vormt daarbij een beperkende factor in verband met overspraak - het 'lekken' van signalen van het ene naar het andere spoor. Deze configuraties werden gebruikt bij de zogenaamde multitrack-recorder, een betaalbaar alternatief voor de professionele meersporen-studio apparaten (fabrikanten: Fostex, Tascam).

Naast de meest gangbare bandsnelheid van 4,75 cm/s werden bij uitzondering ook veelvouden daarvan (0,25 tot 2 keer) toegepast.

De compact cassette leende zich uitstekend voor batterijgevoede draagbare toepassingen en zelfs voor in de auto. De vervolgstap in de ontwikkeling leidde tot de walkman, een nog meer persoonsgebonden vorm van cassettespeler aangezien deze standaard via de hoofdtelefoon beluisterd werd.

Om te voorkomen dat op een cassettebandje met opgenomen muziek per ongeluk een nieuwe opname gemaakt werd (waardoor dan de oude opname gewist zou worden), kon men op de rugzijde van het bandje een plastic palletje verwijderen waardoor een opening vrijkwam die opname (door een ingebouwde blokkade van het cassettedeck) voorkwam en daarmee het bandje tegen ongewenste opname beschermde. Musicassettes waren op deze manier beveiligd tegen nieuwe opnames. Wilde men toch een nieuwe opname maken dan kon men een gaatje afplakken met plakband waardoor opname weer mogelijk was.

Ook bestonden er speciale cassettebandjes waarmee de koppen van een cassettedeck konden worden gereinigd.

Binnenkant van een cassette.

Soorten

Gedurende de jaren werden verschillende magnetische materialen ontwikkeld met steeds betere karakteristieken. Het gebruik van deze materialen maakte de geluidskwaliteit van opnamen steeds beter. 

Het cassettedeck moet juist worden ingesteld op het type band dat men gebruikt (de laatste jaren kan dit automatisch door uitsparingen in de behuizing, waardoor het deck detecteert welke type band erin zit), zodat de juiste voormagnetisatie bij de opname (bias) en afspeelfilters (equalizer) ingesteld kunnen worden voor een zo correct mogelijke opname (qua dynamisch bereik, en minst mogelijke ruis en vervorming). Sommige cassettedecks beschikken over een fijnregeling voor de voormagnetisatie, de zogenaamde bias adjust, waarmee exact de voor een bepaald merk of type cassetteband benodigde voormagnetisatie kan worden ingesteld.

Ook kon door nieuwe materialen de band steeds dunner worden gemaakt, waardoor langere banden in dezelfde cassette pasten. Naast 2×30 minuten (C60, 30 minuten voor de A-zijde en 30 minuten voor de B-zijde) werden ook 2×45 (C90, de meest gangbare), 2×50 (C100) en 2×60 (C120) minuten-cassettes verkocht. Er is een korte tijd een C46-cassette verkocht met 2×23 minuten opnameduur, dit komt overeen met de gemiddelde speelduur per elpeekant en een C74-cassette, waar de maximale speelduur van een cd op past. Agfa bracht een tijdlang C90+6-cassettes op de markt, geschikt voor één elpee op elke kant. Ten slotte zijn er ook C180-cassettes op de markt geweest met 2×90 minuten speelduur, maar deze waren meer bedoeld voor opnamen van telefoongesprekken (call logging), preken en dergelijke. Sommige fabrikanten van afspeelapparatuur hadden weinig vertrouwen in cassettes met een langere speelduur dan 90 minuten vanwege de vermeende zwakke behuizing, het kwam dan ook voor dat het gebruik van deze cassettes werd afgeraden in de gebruiksaanwijzing.

Equalisation uitgedrukt in microseconden slaat op de tijdconstante die gebruikt wordt voor afsnijfrequentie van de hoge tonen. De lage tonen werden sowieso bij opname onderdrukt (tijdconstante van het laagfilter 3180 ?s overeenkomend met 50Hz) en de hoge tonen met bandafhankelijke constante tussen 70 (2,2kHz) en 120 ?s (1.3kHz). Bij afspelen moeten de hoge tonen juist weer versterkt worden met inverse filter. Instellen van de verkeerde bandsoort resulteert dan in een te scherp of juist te dof geluid.

Er bestaan microcassettes (meestal voor antwoordapparaten en memorecorders) en minicassettes (meest gebruikt, en meestal kortweg cassette genoemd).

Philips (Hasselt)

Philips had tussen 1955 en 2004 een vestiging in het Belgische Hasselt. Het werd de grootste vestiging van Philips buiten Eindhoven. Een aantal productinnovaties ontstonden er of werden er ontwikkeld en werden er geproduceerd.

Geschiedenis

Op 2 maart 1954 sloten de stad Hasselt en Philips een overeenkomst. Ten zuiden van de spoorlijn Hasselt-Genk in de Banneuxwijk onteigende de stad een stuk grond voor de oprichting van een fabriek en Philips beloofde de tewerkstelling van minstens 500 werknemers binnen drie jaren. In de voormalige keramiekfabriek aan de Badderijstraat begon op 28 februari 1955 voorlopig de montage van platenspelers, platenwisselaars en luidsprekers en de productie van metalen onderdelen kwam er op gang. De bouw van nieuwe productiehallen en kantoorgebouwen aan de Kempische steenweg was toen reeds aangevat en in januari 1956 al konden burgemeester en schepenen er het beloofde 500ste personeelslid begroeten. Ook de montage van bandopnemers startte er. De oprichter en eerste bedrijfsdirecteur was Willem Giskes.

Vooral jonge vrouwen vonden werk in deze moderne fabriek in een streek waar de industrie tot dan hoofdzakelijk bestond uit kolenmijnen en metaalfabrieken, waar uitsluitend mannen tewerkgesteld waren.

De arbeidsters werkten in een aantrekkelijk beloningssysteem: boven op het basisloon ontvingen zij een premie afhankelijk van de extra prestatie. Het was gebruikelijk dat zij van hun ouders die premie mochten houden om te besteden aan hun opsmuk. De groei van de stad Hasselt tot een van de belangrijkste handelscentra van het land is toen begonnen met de snelle opkomst van handelszaken, vooral in de kledingsector. Om dit in herinnering te brengen werd op 10 november 2010 in Hasselt het beeld "Ode aan de meisjes van Philips" van Irene Judong opgericht.

De Philipsvestiging in Hasselt was de eerste buiten Eindhoven die de geproduceerde producten ook zelf ontwierp. In 1961 werd die activiteit ondergebracht in een nieuw onderzoeks- en ontwikkelingslaboratorium. Tegelijkertijd kwam de bouw tot stand van fabriekshallen voor de productie van kunststof onderdelen en netsnoeren allerhande. De schotelvormige watertoren, een baken voor de omgeving, dateert uit die tijd.

Een mijlpaal in de evolutie van Philips in Hasselt was de uitvinding door Hasseltse ingenieurs van de Compact cassette en de cassetterecorder in 1963. Vanuit Hasselt veroverden zij de hele wereld. Het aantal personeelsleden steeg daardoor tot meer dan 5000 in 1970 tijdens het directeurschap van Lou Ottens.

Vanaf 1973 gebeurde de montage in de productieafdelingen niet meer aan de lopende band maar in kleine groepen van 8 à 10 personen. Zij waren verantwoordelijk voor de montage en de controle van een volledig afgewerkt apparaat en hielden regelmatig werkoverleg. Ook met allerlei vormen van werkverruiming werd geëxperimenteerd. Tien jaar later gaf Philips Hasselt de toon aan inzake flexibiliteit. Allerlei stelsels van deeltijds werk leidden tot behoud van werkgelegenheid voor meer mensen.

Een tweede mijlpaal was de ontwikkeling en productie van compactdiscapparaten in 1983. De medewerkers van Philips in Hasselt kregen die opdracht toegewezen omwille van de hoge kwaliteit die zij afleverden. Naast hoogwaardige mechanische constructietechniek en geavanceerde elektronica werd Hasselt een centrum van opto-elektronica met laserstraaltechnologie en digitale signaalverwerking als kerngebieden.

Koning Boudewijn bezocht op 9 april 1984 de fabriek en maakte kennis met het enthousiaste personeel en met de compactdiscspeler. Het succes van dit apparaat leidde in 1986 tot de aanwerving van 2000 personeelsleden in 12 maanden tijd. Hun aantal steeg weer tot meer dan 4000 na een terugval in de recessiejaren tussen 1978 en 1982.

Andere primeurs uit de geschiedenis van Philips Hasselt zijn een apparaat uit 1957 waarin een 45-toerenplaatje kon worden geschoven als in een brievenbus, het elektronische orgel Philicorda omstreeks 1964 en de Video Long Player,LaserVision, in 1980, de niet-digitale voorloper van dvd.

Omstreeks 1995 lag het zwaartepunt van de fabriek niet meer in massaproductie, maar onder impuls van bedrijfsdirecteur André Geboers in een nieuwe missie: kenniscentrum zijn voor de ontwikkeling van nieuwe producten voor optische opslag van gegevens en de productietechnologie hiervoor, en die voor massafabricage doorgeven aan lageloonlanden. De eerste productiehal waar ooit arbeidsters handenarbeid verrichtten, werd omgevormd tot een aangepaste werkruimte voor hooggekwalificeerde technici. Na de noodzakelijke sanering die hieraan voorafging tussen 1990 en 1994 bracht deze nieuwe missie weer hoop. Het personeelsaantal verdubbelde van 1.100 naar 2.300 in 1998. Helaas niet voor lang. De markt van computers waarin de Hasseltse producten werden ingebouwd stuikte in elkaar en de prijzen die ervoor betaald werden daalden snel. Daar was Philips in Hasselt met zijn hoge loonkosten niet tegen opgewassen. De overgebleven 1.450 werknemers moesten eind 2002 aanvaarden dat hun fabriek gesloten werd. Het Amerikaanse bedrijf Jabil Circuit nam een beperkt deel van de activiteiten over, met name de printplatenproductie en de ontwikkelingsafdeling, welke de activiteiten voortzette in het eerste gebouw van de Corda Campus.

In de 48 jaren dat de fabriek, zij het met ups en downs, evolueerde, gaf ze aan meer dan 15.000 gezinnen van medewerkers de gelegenheid om hun welvaart op te bouwen. In de hele wereld werden vanuit Hasselt enkele honderden miljoenen hogekwaliteitsproducten geleverd. Nieuwe kennisgebieden droegen bij tot de ontwikkeling van bedrijven en van het onderwijs in de streek en tot de persoonlijke emancipatie, vooral van vrouwen. Er was een gunstige weerslag op veel andere economische sectoren in het bijzonder in Hasselt en op de levensstandaard van de inwoners.

Een vergelijking met de jeneverindustrie in Hasselt wijst uit dat de jeneverstokerijen goed waren voor een tewerkstelling van 25.000 manjaren gespreid over 200 jaar. Philips daarentegen was goed voor een tewerkstelling van 150.000 manjaren gespreid over nagenoeg 50 jaar, het zesvoudige van die in de jeneverindustrie, in een vier maal kortere periode.

SPECS

Als onderdeel van de strategie voor Philips Hasselt stichtte men in 1995 een aparte entiteit SPECS (Solution Provider for Embedded Control Software). Deze had zijn vestiging niet op de traditionele productielocatie maar aan het Leopoldplein in Hasselt. De oprichters van SPECS beoogden een frisse ondernemende geest te scheppen, onder andere door een flexibeler arbeids- en beloningsregime en initieel een minder sterke koppeling met de traditionele productiefaciliteit.

SPECS telde een 35-tal medewerkers en legde zich, dikwijls samen met mensen van de Hasseltse hoofdlokatie en van andere afdelingen van Philips, toe op ontwikkeling van de ingebedde software voor met name producten van Philips. SPECS stond vooral bekend om zijn expertise op het gebied van software voor het Philips TriMedia-platform. Toen het met "Hasselt" al slechter aan het gaan was, heeft men SPECS geherintegreerd en kwam er in 2002 een einde aan het bestaan als aparte eenheid. De medewerkers van SPECS zijn na het einde van "Hasselt" in 2003 vooral terechtgekomen bij de vestiging van Philips in Leuven en de vestiging van Jabil Circuit in Hasselt.

Nieuwe toekomst

Op de voormalige Philipssite is op dit moment sprake van een verscheidenheid aan nieuwe bedrijvigheid. Er zijn onder impuls van onder andere de Limburgse Reconversiemaatschappij in het kader van de Corda Campus moderne kantoorgebouwen verrezen waar een grote diversiteit aan bedrijven en instellingen aanwezig is.

Men vindt er onder meer Jabil Circuit, dat een deel van de activiteiten van Philips had overgenomen, elektriciteitsbedrijf Luminus en callcenterspecialist IPGlobalnet. Met name in de callcenters heeft men inspanningen gedaan om voormalige Philipsmedewerkers om te scholen. Daarnaast vindt men er uitgever Kluwer, een aantal high-tech bedrijven en ook het Vlaams Agentschap Ondernemen. Hoewel dit voor een groot aantal productiemedewerkers geen oplossing heeft geboden, heeft de site met de ontwikkeling van Corda Campus Hasselt wel een vernieuwing ondergaan en een verscheidenheid aan succesvolle activiteiten en vooral een nieuwe toekomst gekregen.

Gerard Philips en zijn vader Frederik richtten in 1891 het bedrijf Philips op. In eerste instantie begon het bedrijf als een gloeilampenfabriek. Philips fabriceerde met zoveel succes gloeilampen dat zij in de daaropvolgende jaren in staat was veel concurrerende gloeilampfabrikanten op te kopen. In 1908 volgde de overname van een machinefabriek, waarna Philips eigen machines kon maken om de gloeilampen te fabriceren.

Door het succes van het bedrijf kon Philips uitbreiden naar andere productietakken. Zo volgden er een metaal-, glas- en papierfabriek. Deze andere producten werden ook allemaal toegepast bij de fabricatie van gloeilampen. In de jaren '30 groeide Philips uit tot één van de grootste bedrijven van Nederland.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden enkele Eindhovense Philips fabrieken gebombardeerd, omdat daar radio's werden gemaakt voor de Duitsers. Verder kwam het bedrijf relatief ongeschonden uit de oorlog en kon het na afloop ook in het buitenland vestigingen openen. Radio's en televisies werden producten die ook interessant waren voor Philips en waar grote winsten mee werden behaald. Philips kende haar topjaar in 1974, met zo'n 412.000 medewerkers wereldwijd.

Na 1974 werd het bedrijf echter door concurrentie gedwongen om de kosten te verlagen en in te krimpen. Steeds meer productietakken werden naar het buitenland verplaatst en het personeelsbestand kromp aanzienlijk. In de jaren '90 ging het bedrijf zich meer concentreren op producten die opvielen door het design, waaronder de Senseo koffiezetapparaten. Eind 2010 had Philips nog 119.000 medewerkers in dienst, waarvan 14.000 in Nederland.

Beginjaren in 't kort

In 1891 richtte Gerard Philips samen met zijn vader Frederik Philips de firma Philips & Co op. Het bedrijf werd niet in hun woonplaats Zaltbommel, maar in Eindhoven gevestigd. In deze plaats was een leegstaand bedrijfspand beschikbaar. De eerste producten warengloeilampen, waarvan het Eerste Gloeilampenfabriekje nog getuigt. Oorspronkelijk was Philips een eenvoudige assemblagefabriek voor kooldraadlampen.Gerard Philips was vooral in onderzoek geïnteresseerd en legde de basis voor het Philips' Natuurkundig Laboratorium (NatLab) waarvan de opvolger, de High Tech Campus, zich nog steeds in Eindhoven bevindt. Met de komst van Gerards broer Anton Philips, in 1895, werd de leiding van het bedrijf aangevuld met een zakenman die in staat was om de onderneming te doen groeien. In 1899 werd Anton medefirmant van het bedrijf.In 1907 werd de NV Philips' Metaalgloeilampenfabriek te Eindhoven opgericht, gevolgd in 1912 door de oprichting van de NV Philips' Gloeilampenfabrieken, waarvan Gerard en Anton Philips de eerste directeuren waren.

Verticale integratie

Technologisch is de komst van de wolfraamdraadlamp belangrijk. Geleidelijk werden de diverse Nederlandse gloeilampenfabrieken opgekocht, terwijl ook toeleveranciers afhankelijk van het bedrijf werden gemaakt en vervolgens eveneens opgekocht werden. Deze verticale integratie zou kenmerkend worden voor Philips, maar het maakte het bedrijf ook complex. Het leidde tot eigen glasfabrieken, golfkartonfabrieken, machinefabrieken en Philitefabrieken (Philite was de Philips merknaam voor bakeliet).

Machinefabrieken

In 1908 werd een voormalige weverij van de Gebr. Schellens opgekocht en tot machinefabriek ingericht. Hier maakte Philips in eigen beheer productiemachines voor gloeilampen. De keuze voor zelfbouw kwam onder meer voort uit de behoefte aan geheimhouding. Omstreeks 1920 ontstond een gereedschappenmakerij, waarvoor echter te weinig vakmensen voorhanden waren. Deze werden aanvankelijk betrokken uit Duitsland en Midden-Europa. De gereedschappen waren nodig omdat de productie van radiotoestellen veel metalen onderdelen eiste. In 1928 werd een eigen vakopleiding gestart, het Jongens Nijverheids Onderwijs (JNO), later Primaire Beroepsopleiding (PBO) of Philips Bedrijfsschool geheten. In 1948 startte de apparatenbouw, oorspronkelijk ten behoeve van de productie van bioscoopprojectoren voor de hoofdindustriegroep ELA. Later werd een zeer grote verscheidenheid aan apparaten gebouwd, tot cyclotrons aan toe. In 1961 werd een vestiging in Almelo geopend, en in 1970 werd de Machinefabriek te Alkmaar aan de organisatie toegevoegd.

Metaalwarenfabriek

De metaalwarenfabriek (PMF) produceerde sedert 1918 radio-onderdelen en sedert 1927 radiotoestellen. Omstreeks 1925 werd de massaproductie van de benodigde metaalwaren een onderdeel van de apparatenfabriek. In 1946 werd het een onderdeel van de HIG Apparaten, in 1957 onderdeel van de HIG RGT.

Glasfabriek

De eerste eigen glasfabriek van Philips werd in 1916 in gebruik gesteld op het terrein Strijp-S. Deze werd gestart omdat het concern van aanvoer van grondstoffen verzekerd wilde zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het glas werd gebruikt voor de ballonnen van gloeilampen, waar zeer veel glasblazers voor nodig waren. Later werden deze processen gemechaniseerd en werden de activiteiten uitgebreid met, onder meer, beeldbuizen. De fabriek is begin jaren 60 van de 20e eeuw gesloopt. Glas voor gloeilampen werd voortaan in de Lommelse vestiging vervaardigd, waar ook de ballons machinaal werden gemaakt. Daarnaast had Philips over de hele wereld verspreid veel glasfabrieken ten behoeve van de lampenproduktie. Glas voor tl-buizen werd in Roosendaal gefabriceerd. Het persglas werd gefabriceerd in Eindhoven, Aken, Simonstone, São Paulo en Taiwan. De persglasfabriek Eindhoven werd uiteindelijk verplaatst naar Winschoten maar was op dat moment eigenlijk al overbodig geworden.

Ten behoeve van de glasovens had Philips ook een fabriek op het terrein die vuurvaste stenen maakte.

Philitefabriek

Het gebruik van kunststoffen betrof in eerste instantie thermohardende kunststoffen, met name bakeliet dat bij Philips Philite heette. Dit moest worden geperst en werd daarbij door onomkeerbare processen zeer hard. In 1923 startte de productie op kleine schaal, ten behoeve van hulzen voor elektronenbuizen, later voor tal van toepassingen zoals behuizingen, knoppen enzovoort. In 1926 kwam er een afzonderlijke fabriek, in 1929 werd een nieuwe fabriek gebouwd waar in 1938 al 450 mensen werkten. Hiermee begaf Philips zich op het terrein van de procesindustrie. In 1952 werd een nieuwe perspoederfabriek geopend. De belangrijkste grondstof, fenol, werd van de Staatsmijnen betrokken. Er werkten toen 1100 mensen in de Philitefabriek. De fabricage van thermoplasten, die rond die tijd opkwamen, is door Philips nimmer ter hand genomen; wel bezat men in een vroeg stadium (1951) al een grote spuitgieterij. Kunststoffen op basis van ureum en melamine werden daar toegepast. De Philitefabrieken maakten ook producten voor derden, zelfs WC-brillen werden er gemaakt. Een deel van de activiteiten van de Philitefabriek werd in 1957 naar Uden verplaatst en in 1961 naar Hasselt. In 1962 bouwde men tevens een Philitefabriek te Lommel. In 1972 sloot de Eindhovense Philitefabriek. Tegenwoordig heeft Philips geen Philitefabrieken meer.

Papier- en golfkartonfabriek

In 1919 startte Philips de productie van golfkarton voor de verpakking van gloeilampen. Sinds 1926 werd ook grijs papier vervaardigd, grondstof voor golfkarton. Golfkarton werd ook aan derden geleverd. In 1950 werd een nieuwe, moderne, golfkartonmachine in gebruik genomen en in 1952 kwam deze in een nieuwe fabriek te staan. In 1957 werd opnieuw een grijspapierfabriek geopend. Voorts kwam toen een samenwerking met Emba tot stand, waarbij Movi te Rotterdam als een joint venture werd opgericht. Met het Britse papierconcern Bowater werd eveneens een samenwerking aangegaan wat leidde tot de bouw, in 1960 van Bowater Philips te Gent. Deze fabriek werd in 1970 door brand verwoest waarna plannen van Movi om in Etten-Leur een fabriek te bouwen versneld werden uitgevoerd. Deze fabriek bestaat nog steeds maar heet inmiddels na de nodige overnames Smurfit Kappa Elcorr. De fabriek van Movi in Rotterdam is in de jaren 80 gesloten. Uiteindelijk werd de grijspapierfabricage uitbesteed bij de Papierfabriek Roermonden in 1974 werd de Philips papierfabriek gesloten. Voor golfkarton werd in 1980 samen met Emba het verkoopkantoor Empee opgezet, waar in 1982 de bedrijven in Etten-Leur en Eindhoven bij werden ondergebracht. In 1988 werd de Philips Bowaterfabriek te Gent verkocht aan het Zweedse SCA Packaging, en het Philips aandeel in Empee werd overgenomen door Assi en Bührmann-Tetterode. Hiermee kwam een einde aan de papier- en kartonactiviteiten van Philips.

Gasfabriek

De gasfabriek splitste lucht in bestanddelen als argon, neon, krypton, xenon, zuurstof en stikstof. Het argon werd gebruikt om lampen te vullen, daar in 1915 was ontdekt dat de gloeidraad van een met dit gas gevulde lamp veel langer meeging. De gasfabriek werd gebouwd als reactie op het Duitse verbod op export van argon, in het kader van de Eerste Wereldoorlog. In 1919 functioneerde deze fabriek op het complex Strijp-S reeds. Andere gassen werden gebruikt als hulpstof. De fabriek was onderdeel van de groep Licht. De machines waren van het Duitse fabricaat Linde Eismaschinen. Na de Tweede Wereldoorlog verscheen een moderne fabriek op het complex Beatrixkanaal. Deze werd in 1989 verkocht aan Air Liquide. De fabriek is inmiddels gesloten.

Horizontale integratie

Mede gedreven door de activiteiten van de wetenschappelijke onderzoekers was de horizontale integratie nog veel belangrijker voor het bedrijf. Zo leidde de kennis op het gebied van glas en metalen, nodig voor de vervaardiging van gloeilampen, in de jaren 20 van de 20e eeuw ook tot expertise op het terrein van radiolampen, later radiobuizen of elektronenbuizen genoemd. Dit leidde niet alleen tot de productie van radio's, inclusief alle onderdelen daarvan, maar ook tot experimenten met televisietoestellen en oscilloscopen, die al plaatsvonden in de jaren 30 van de 20e eeuw. De proefnemingen met röntgenbuizen vormden de aanzet van wat later Philips Medical Systems zou heten, en experimenten met de hoogtezon voerden naar de farmaceutische producten, zoals die door het latere Philips-Duphar zouden worden vervaardigd.

Met name tijdens de jaren 20 van de 20e eeuw breidde Philips zich snel uit, en er verschenen markante nieuwe gebouwen, zoals de Lichttoren in 1920, de Witte Dame, het voormalig hoofdkantoor (nu: 'De Admirant') uit 1929 en het 27 ha grote complex Strijp-1 (later: Strijp-S genaamd), met onder meer de Hoge Rug.

In 1930 werd de eerste Nederlandse Philipsfabriek buiten Eindhoven geopend, en wel te Oss. De tot dan toe aanwezige vestigingen kwamen voort uit overnames van - bijvoorbeeld - gloeilampenfabrieken.

In 1939 kwam Philips met het eerste elektrische Philips-scheerapparaat (de Philishave) waardoor ook kleine huishoudelijke apparaten tot het assortiment gingen behoren. Daarnaast leidde de materiaalkundige expertise tot nieuwe ontwikkelingen, zoals de uitvinding van het ferriet, dat in vele toepassingen een rol zou gaan spelen.

Sociale dimensie

De mensen die Philips nodig had kwamen van heinde en verre. Velen waren afkomstig uit Drenthe, Overijssel, en Gelderland. De Philips Woningbouwvereniging Hertog Hendrik van Lotharingen bouwde huizen in wijken als Philipsdorp en Drents Dorp, er kwamen Philips-scholen, een Philipsbibliotheek, een Philips-ontspanningscentrum en een Philips Sport Vereniging, waaruit ook de bekende PSV-voetbalploeg voortkwam. De Philips Bedrijfsschool had een goede naam: hier werd vakmanschap bijgebracht. Verder was er de Etos, ofwel de Philips-kruidenier. Ook werden er parken aangelegd en een villapark voor het hoger Philips-personeel. Bijzonder was het Philips-van der Willigenfonds dat kinderen van Philips-medewerkers in staat stelde om een universitaire studie te volgen, zonder dat er de verplichting tegenover stond om bij het bedrijf te komen werken, hoewel een baan bij Philips bijna zekerheid voor het leven bood.

Dit alles had natuurlijk een keerzijde. Het paternalistische bedrijf was alomtegenwoordig en Philips is Eindhoven en Eindhoven is Philips was een veelgehoorde kreet, die socialistisch ingestelde 'oproerkraaiers' zich ter harte moesten nemen. Daarnaast had ook de meer romantisch of conservatief ingestelde mens grote moeite met de opkomst van het technologisch hoogontwikkelde bedrijf, getuige titels als De grote Voltige en Het donkere licht van Antoon Coolen. Bij de pastoors speelde ongetwijfeld ook angst voor het verlies aan invloed mee, mede door de komst van grote aantallen (protestantse) noorderlingen. Daarnaast verloor ook de oorspronkelijke fabrieksmatige bedrijvigheid, zoals de textiel- en sigarenindustrie, aan invloed. Deze bood veelal laaggeschoolde arbeid met navenante lonen.

Oorlog en wederopbouw

De Tweede Wereldoorlog bracht bombardementen met zich mee, hoewel het grootste deel van de Philips-fabrieken vrijwel ongehavend uit de strijd kwam. Het bedrijf kon ook buiten Nederland blijven functioneren, dankzij buitenlandse vestigingen.

De tijd van de Wederopbouw ging gepaard met ongekende groei, waarbij Philips in Eindhoven vooral in westelijke richting uitbreidde met onder meer de complexen R en T te Strijp.

In 1946 werden in Nederland nieuwe productiebedrijven geopend in Sittard, Roermond en Zwolle. De jaren daarop volgden er nog vele andere Philips-vestigingen. Vele vestigingen verschenen door geheel Nederland, en deze groeiden soms uit tot grote fabrieken waar duizenden mensen werkten.

Naast fabricage van gloeilampen en radiotoestellen - vanouds de standaardproducten - ging Philips zich vanaf het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw ook toeleggen op de productie van korte golfcommunicatieapparatuur ten behoeve van de lucht- en scheepvaart. De apparatuur van die tijd kenmerkte zich door het gebruik van radiobuizen - de transistor stond nog in de kinderschoenen - en stond voor wat betreft betrouwbaarheid op een zeer hoog peil. Philips was een enorm kenniscentrum op het gebied van elektronenbuizen en was onder andere uitvinder van de pentode. Korte golfcommunicatieapparatuur als de BX925 en de 8R0 501 waren jarenlang standaardfaciliteiten aan boord van koopvaardij- en marineschepen en natuurlijk ook bij diverse wal installaties van de overheid (Scheveningen Radio, land-luchtmacht en marine). Ook werd medio jaren 50 de productie van televisietoestellen een steeds belangrijker activiteit.

Spreiding van werkgelegenheid en gebruikmaking van nieuwe reservoirs aan arbeidskrachten speelde een grote rol. Ook in België, waar reeds een vestiging in Leuven bestond, werden nieuwe fabrieken geopend, zoals te Hasselt en Turnhout. Geleidelijk aan ging men de productie ook naar het buitenland overbrengen, terwijl men het tekort aan arbeidskrachten verder moest opvangen door gastarbeiders, met name Spanjaarden, in dienst te nemen. Soms leed het bedrijf echter aan een remmende voorsprong, want ondertussen was in 1947de transistor uitgevonden en op deze ontwikkeling sprong men nogal laat in, aangezien Philips specifieke kennis had van elektronenbuizen.

Geleidelijk begon ook de concurrentie uit Japan zich te doen gelden, zoals door het in de jaren 50 op de markt brengen van transistorradio's van het toen nog onbekende merk Sony. De concurrentiestrijd met Japan leidde enige jaren later zelfs tot een soort video-oorlog. Philips bracht als eerste in 1963 de Compact cassette op de markt, die zeer succesvol was. De poging een standaard te vestigen voor videobanden, het Video 2000-systeem, was echter niet succesvol vanwege de concurrentie met de Betamax- en VHS-systemen.

De kentering

Philips groeide verder door, met in het topjaar 1974 ca. 412.000 medewerkers, waarvan 91.000 in Nederland, maar het Nederlandse personeelsbestand was ? met in 1970 98.000 mensen in dienst ? toen al over zijn hoogtepunt heen. In Eindhoven verschoven activiteiten van productie naar onderzoek & ontwikkeling en er kwamen meer en meer kantoor- en managementsfuncties. Na 1975 zette zich wereldwijd een daling van het personeelsbestand in. Door toenemende Europese, en later mondiale concurrentie moesten de kosten omlaag; dit gebeurde door in grotere productie-eenheden te produceren.

De achterstand op het terrein van halfgeleiders trachtte men in te halen via kennisuitwisseling met de Bell-laboratoria van AT&T en later met het peperdure megachip-project. Overigens heeft Philips een succesvolle niche-markt gevonden in de fabricage van specialistische chips, waarbij de massafabricage van standaardchips aan goedkope firma's uit andere landen werd overgelaten, zoals Zuid-Korea en Taiwan.

Ook op het gebied van computers was er sprake van een achterstand. De mainframecomputer beloofde zeer belangrijk te worden, vooral voor administratieve toepassingen, maar Philips heeft hierin, ondanks de investering van grote sommen geld in Philips Data Systems, nooit enig marktaandeel van betekenis weten te behalen.

De in die jaren gehoorde uitdrukking: Philips kan niet failliet, refererend aan de zekerheid van overheidssteun, leek een niet te miskennen voorteken. Het bedrijf was door de horizontale en verticale integratie, maar ook door de verregaande autonomie van de vele buitenlandse Philips-ondernemingen, bijna onbestuurbaar geworden. Men sprak in dit kader van een matrixorganisatie. Andere voortekenen van een kentering kwamen uit de Verenigde Staten, waarvandaan veel technologische kennis naar Europa uitweek, omdat daar het door de overheid gefinancierde Apollo-project op zijn einde liep. De exodus was de voorbode van een massale werkloosheid, ook onder technici. Ondertussen werd er bij Philips nogal eens aan hobbyisme gedaan, waarvan de research aan de stirlingmotor een goed, maar duur voorbeeld was.

Inkrimping en consolidatie

Automatisering, rationalisering, concentratie op hoofdactiviteiten, samenvoeging van productie-eenheden en verplaatsing van productie naar lage-lonenlanden kondigden zich aan. Toen Henk van Riemsdijk in 1977 aftrad als bestuursvoorzitter, betekende dat de facto het einde van de invloed van de familie Philips en het begin van een minder paternalistische lijn. Dit proces zette medio jaren 70 al in met verplichte arbeidstijdverkorting, terwijl vanaf 1980 ook massa-ontslagen volgden. Het ergste was dat zich tegelijkertijd ook in andere arbeidsintensieve bedrijfstakken, zoals de kunstvezelindustrie en de scheepsbouw, soortgelijke drama's voltrokken. Op dat moment bezat Philips wereldwijd maar liefst 500 fabrieken. In 1982 was het personeelsbestand wereldwijd al teruggelopen van 360.000 tot 336.000 en verdere bezuinigingsoperaties volgden.

De belangrijkste daarvan werd Operatie Centurion, geïnitieerd door Jan Timmer. Een groot deel van de Philips-vestigingen werd in het kader van deze operatie afgebouwd en vrijwel alle Philips-activiteiten in Eindhoven werden beëindigd, verplaatst, of verzelfstandigd. De z.g. sterfhuisbedrijfsconstructie werd ingevoerd waarbij het moederbedrijf zo min mogelijk schade opliep als een zelfstandige productie-eenheid werd afgestoten. De aanzienlijke spin-off aan bedrijven die dankzij Philips in de regio Eindhoven waren gevestigd, zorgde ervoor dat het vertrek van Philips niet tot een catastrofe leidde. Een veelheid aan technologisch hoogwaardige bedrijven, waarvan ASML het grootste is, heeft de dynamiek voortgezet die met Philips begonnen is. Ook Philips Medical Systems, in het nabijgelegen Best, is nog een belangrijke Philips-activiteit.

Eind jaren 90 werd het hoofdkantoor van Eindhoven verplaatst naar Amsterdam. Slechts Philips Lighting en Philips Research bleven in Eindhoven. Ook het Evoluon, nog niet zo lang daarvoor het visitekaartje van Philips voor Eindhoven en de wereld, werd in 1989 gesloten als techniekmuseum voor het algemene publiek.

Internationaal is Philips zich steeds meer gaan oriënteren op consumentenproducten die zich onderscheiden door een opvallend design. Het Senseo-koffieapparaat (2001) en deambilight televisie (2004) zijn goede voorbeelden. Op de binnenlandse markt sloegen deze wel aan maar opnieuw bleef internationale doorbraak uit. De divisies Componenten en Halfgeleiders werden verkocht, zo werd in 2006 de halfgeleiderdivisie verzelfstandigd als NXP. Tegelijkertijd werd aangekondigd dat het woord "Electronics" uit de bedrijfsnaam zou verdwijnen.

In 2006 had het bedrijf wereldwijd in meer dan 60 landen 121.732 werknemers in dienst. De researchafdeling, Philips Research, is tegenwoordig gevestigd op de High Tech Campus te Eindhoven, op het terrein van het vroegere Natuurkundig Laboratorium.

Philips Lighting ging zich in versnelde mate richten op energiezuinige verlichtingstechniek, waarbij vooral Led technologie de aandacht kreeg. Het concernonderdeel voerde hier een agressievere politiek dan de concurrenten Osram en General Electric. Zo werd er gestreefd naar voorwaartse integratie, waarbij niet alleen lampen, maar ook armaturen werden geleverd. In dit verband voert Philips een politiek van gerichte overnames. Zo kocht Philips in 2005 het bedrijf Lumileds, een fabrikant van ledverlichting. In 2007 werden 5 bedrijven overgenomen: Partners in Lighting dat armaturen voor huishoudens maakt, TIR Systems en Color Kinetics die in ledverlichting actief zijn, Lighting Technologies dat bioscooplampen maakt, en Respironics dat apparatuur tegen slaapapneu vervaardigt. Met deze laatste overname was een bedrag van 3,6 miljard euro gemoeid en vormt daarmee de grootste overname die Philips ooit heeft gedaan. In 2008 heeft Philips het Amerikaanse bedrijf Genlyte overgenomen, dat verlichtingsarmaturen voor bedrijven maakt en marktleider is op de Noord-Amerikaanse markt. In 2009 neemt Philips de Italiaanse koffiemachinefabrikant Saeco over.

Eind 2010 had Philips 119.000 medewerkers in dienst, in oktober 2011 werd bekend dat Philips 4500 medewerkers wereldwijd laat uitstromen, waarvan 1400 in Nederland (10% van de 14.000 medewerkers).

In 2012 sluit Philips een joint venture met het Chinese TPV Technology onder de naam TP Vision voor het ontwerp, en de productie, distributie, marketing en verkoop van Philips-televisies met uitzondering van China, India, de Verenigde Staten, Canada, Mexico en enkele landen in Zuid-Amerika.

In januari 2013 kondigde Philips de verkoop aan van haar Lifestyle Entertainment groep, bestaande uit de onderdelen Audio, Video, Multimedia en Accessories.[3] De koper was het Japanse bedrijf Funai Electric Co. Dit bedrijf zou naast een licentievergoeding ook € 150 miljoen voor de activiteiten betalen. De producten zouden onder de Philips-merknaam verkocht blijven worden. Eind 2013 is deze transactie afgeketst. In 2014 is een nieuwe overeenkomst gesloten met het Amerikaanse Gibson. Dit onderdeel telt circa 2000 werknemers.

In september 2014 meldde Philips, nu nog met drie divisies, dat het zal splitsen in twee aparte bedrijven. De Consumer Lifestyle-divisie gaat op in de Healthcare-divisie en gaat verder als HealthTech. De Lighting-divisie krijgt een aparte juridische structuur en dit is de eerste stap tot een splitsing, waarbij andere aandeelhouders kunnen toetreden tot deze divisie. Zou deze organisatie in 2013 al hebben bestaan, dan had HealthTech een omzet gerealiseerd van € 15 miljard en Lighting € 7 miljard. Het zal zeker tot 2016 duren voordat de voorgenomen splitsing is afgerond.

In maart 2015 verkocht Philips 80,1% van de onderdelen Lumileds en Automotive Lighting voor bijna 3 miljard euro aan de Chinees-Amerikaanse investeerder Go Scale Capital. Bij deze twee onderdelen werkten in totaal ruim 8.000 mensen. In Frankrijk, Duitsland, Polen en China wordt autoverlichting gemaakt en in Californië, Maleisië en Singapore wordt led-chips geproduceerd. Toestemming van toezichthouders was noodzakelijk voor de transactie en in januari 2016 werd bekend dat de verkoop niet doorgaat na bezwaren van Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS), het Amerikaanse comité voor buitenlandse investeringen.

Philips had in september 2014 bekendgemaakt de lichtdivisie te gaan afsplitsen; De onderneming denkt hierbij aan een verkoop aan private-equitypartijen of een beursgang. Diverse partijen hebben interesse getoond, maar de biedingen bleven onder de gewenste prijs. In mei 2016 besloot Philips de lichtdivisie naar de beurs te brengen. Met een jaaromzet van 7,4 miljard euro wordt Philips Lighting een van de grotere beursbedrijven op Euronext Amsterdam. Philips brengt in eerste instantie een kwart van alle aandelen naar de beurs en vrijdag 27 mei was de eerste handelsdag. De introductiekoers was 20 euro per aandeel en de emissie leverde Philips 750 miljoen euro op.

Bedrijfsonderdelen

Philips was in de jaren na 1950 onderverdeeld in Hoofdindustriegroepen (HIGs). Later werd het bedrijf onderverdeeld in Divisies waarbij reorganisaties een rol speelden. Onder het bewind van Gerard Kleisterlee verlegde de hoofdaandacht van Philips zich naar een bedrijf waar leefstijl en gezondheid centraal stonden. Dit leidde tot de verkoop van de divisies Halfgeleiders en Componenten. Philips is sindsdien onderverdeeld in 3 sectoren en een R&D onderdeel:

  • Philips Lighting richt zich op de introductie van innovatieve, energiezuinige lichtoplossingen en -toepassingen voor openbare gelegenheden en thuis die getuigen van een grondige kennis van de wensen van de klant, zowel in de professionele als ook voor de consument.
    • Philips is al vele decennia een van de grootste lampenfabrikanten ter wereld. Daarnaast werd ook andere lichtbronnen geproduceerd, zoals tl-buizen, spaarlampen, en in toenemende mate ledverlichting. De divisie Verlichting heeft 47.000 mensen in dienst en heeft fabrieken i
  • Philips Consumer Lifestyle (Consumer Electronics)richt zich op wensen van consumenten over de gehele wereld, met als doel om hun gezondheid en welzijn te verbeteren. Per jaareinde 2013 werkten er ruim 17.000 medewerkers.
    • Philips is Europa's grootste producent van consumentStaten, Brazilië, India, China e
  • Philips Healthcare is gericht op het ontwikkelen van oplossingen op basis van de behoeften van zorgteams en patiënten.I
    • Philips Medical Systems is actief in de markt voor diagnostische apparatuur. Het is in deze markt een belangrijke speler, samen met

Vroegere en huidige Philips-vestigingen

Voor 1940 had Philips slechts vestigingen in een beperkt aantal plaatsen, maar na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal vestigingen sterk toe. Terwijl in Eindhoven de mensen van heinde en verre werden aangevoerd, dankzij het VIPRE (Vervoer Industrieel Personeel Regio Eindhoven)-busnetwerk. In de hoogtijdagen ging het om honderden bussen met het overstapstation op de kruising Beukenlaan/Schootsestraat. Hier konden de mensen overstappen op bussen die hen naar de gewenste Eindhovense locatie brachten. Om aan personeel te komen, en om de werkgelegenheid in de regio te verbeteren, stichtte Philips vele vestigingen buiten Eindhoven. Hier kwam bij dat Philips ook veel bedrijven overnam, die elk soms ook weer een aantal vestigingen hadden. Vanaf 1980 ging het echter bergafwaarts met vele van deze vestigingen. Philips stootte vele bedrijven af en sloot ook een groot aantal vestigingen in de regio, wat ook ernstige sociale gevolgen kon hebben voor streken die toch al niet bedeeld waren met veel werkgelegenheid. Dit proces van concentratie en stroomlijning is nog aan de gang.

Chronologie

1891: Frederik Philips en zijn zoon Gerard Philips richten Philips op in Eindhoven

1911: Overschakeling van de kooldraadlamp op de metaaldraadlamp

  • 1911: De eerste natuurkundigen worden aangetrokken met de bedoeling patenten te verkrijgen
  • 1912: N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken wordt opgericht.
  • 1913: PSV, De 'Philips Sport Vereeniging' wordt opgericht voor de vrijetijdsbesteding van de werknemers
  • 1914: het Natuurkundig Laboratorium (NatLab) wordt opgericht.
  • 1916 de Philips' Glasfabriek te Strijp wordt opgericht om zeker te zijn van basismateriaal
  • 1918: de eerste radiolamp, de Ideezet, een vroege elektronenbuis, wordt op de markt gebracht.
  • 1918: de eerste Röntgenbuis voor medische toepassingen wordt op de markt gebracht
  • 1920: de productie van radio-onderdelen begint, deze zijn aanvankelijk bedoeld voor radioamateurs
  • 1923: de Miniwatt radiolamp wordt geïntroduceerd
  • 1925: N.V. Philips Radio wordt opgericht
  • 1925: De eerste experimenten met televisie vangen aan
  • 1926: de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek wordt overgenomen
  • 1926: een zeer felle superhogedruk kwikdamplamp wordt ontwikkeld
  • 1926: de 'Philigraph', de voorloper van de bandrecorder, verschijnt op de markt
  • 1927: de divisie Philips Medical Systems wordt opgericht.
  • 1927: de pentode, een geavanceerde radiobuis, verschijnt op de markt
  • 1927: de eerste radioverbinding met het toenmalige Nederlands-Indië
  • 1927: Philips start de verkoop van complete radio-apparaten
  • 1928: de eerste Philips televisie wordt aan het grote publiek getoond (nog niet verkocht).
  • 1931: de 'Philora' natriumlamp wordt op de markt gebracht
  • 1932: Philips filmstudio wordt geopend
  • 1933: een bruikbare röntgeninstallatie komt op de markt
  • 1933: onderzoek naar ferrieten start onder leiding van J.L. Snoek en E.J.W. Verwey
  • 1934: begin productie van filmprojectoren
  • 1936: Philips Technisch Tijdschrift wordt opgericht, het bevolkingsonderzoek ('doorlichten') komt op gang
  • 1939: de Philishave komt op de markt
  • 1939: de Britse Philips komt met een televisietoestel op de markt
  • 1948: de tl-buizen komen op de markt
  • 1948: begin experimentele tv-uitzendingen
  • 1950: begin met de productie van transistoren te Nijmegen
  • 1955: experimentele kleurentelevisie via kabel
  • 1959: uitvinding Integrated Circuits (ICs)
  • 1963: de door Philips ontwikkelde Compact cassette komt op de markt
  • 1965: de plumbicon-televisiecamera wordt uitgebracht, waarmee met veel lagere lichtniveaus beelden geregistreerd kunnen worden
  • 1965: toepassing Integrated Circuits (ICs) in gehoorapparaten
  • 1967: eerste reguliere uitzendingen in Nederland van kleurentelevisie
  • 1967: Philips betreedt de markt voor koffiezetmachines
  • 1972: de eerste Video Cassette Recorder (VCR) voor thuisgebruik komt op de markt in Engeland
  • 1972: PolyGram wordt opgericht
  • 1974: op 1 januari wordt het Philips PM5544-testbeeld door de Nederlandse tv in gebruik genomen
  • 1978: Philips introduceert met de Amerikaanse firma MCA de vlp-videoplaat in Amerika. Het is een technische en commerciële mislukking. Na enige jaren trekt Philips zich terug. De Japanse firma Pioneer brengt met succes het herdoopte LaserVision aan de man
  • 1979: Philips introduceert het Video 2000-systeem, een technisch superieur ontwerp, maar een commerciële mislukking.
  • 1983: Philips lanceert in samenwerking met Sony de uitermate succesvolle Compact disc (cd).
  • 1991: Philips introduceert de weinig succesvolle cd-i, de Compact Disc Interactive. In hetzelfde jaar wordt Philips Electronics N.V. de enige aandeelhouder van N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken, wat de opmaat is voor een juridische fusie tussen de twee en een naamsverandering in 1994
  • 1992: Philips lanceert wederom een commerciële mislukking: het digital compact cassette-formaat
  • 1994: N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken verandert van naam, de nieuwe naam is Philips Electronics N.V.
  • 1995: Philips en Sony ontwikkelen de blu-ray Disc, deze wordt door de hoge prijs en gebrek aan belangstelling pas tien jaar later geïntroduceerd
  • 1997: De dvd wordt op de markt gebracht
  • 1998: Philips Electronics N.V. verandert van naam, de nieuwe naam is Koninklijke Philips Electronics N.V. Tevens wordt het muziekconcern PolyGram verkocht aan het Canadese Seagram Company
  • 1999: Philips en Sony brengen de super audio compact disc uit. Ook dit systeem is niet direct een overweldigend commercieel succes. Tevens ontwikkelt Philips samen met Sony een standaard voor digitale geluidsoverdracht, S/PDIF (Sony Philips Digital InterFace)
  • 1999: Philips en LG starten de joint venture LG.Philips LCD
  • 2001: Philips en LG starten de joint venture LG.Philips Displays. Productie van "oude" Beeldbuis.
  • 2001:  Philips introduceert in samenwerking met Douwe Egberts het succesvolle Senseo koffiezet systeem in Nederland. Vanaf 2002 volgt de introductie in andere landen
  • 2002: er vindt een gijzeling plaats in de Rembrandttoren in Amsterdam. De gijzelnemer vermoedt een complot rond breedbeeldtelevisies. Nadat de man maandenlang verschillende media had bestookt, gijzelt hij uiteindelijk werknemers van het kantoorpand, waar tot enkele maanden voor de gijzelingsactie Philips zetelde. Tijdens de actie pleegt de man zelfmoord, maar er raken verder geen mensen gewond
  • 2004: Philips introduceert ambilight, een achtergrondverlichtingssysteem dat de waargenomen beeldkwaliteit versterkt.
  • 2004: Philips ruilt de 10 jaar oude slogan Let's make things better in voor Sense and simplicity. Hiermee wil Philips aangeven dat zijn producten slim van binnen zijn en eenvoudig in gebruik.
  • 2005: Dochteronderneming Polymer Vision presenteert een zakcomputer met oprolbaar elektronisch scherm, de Readius.
  • 2006: Philips verkoopt divisie Semiconducters met behoud van een belang van 19,9%, de nieuwe onderneming gaat verder als NXPSemiconductors, founded by Philips
  • 2007: Philips maakt bekend de divisies Consumentenelektronica en Huishoudelijke Apparaten samen te voegen tot de divisie Consumer Lifestyle, daarmee voortgaand op de weg van technologiebedrijf naar een bedrijf dat Gezondheid en Leefstijl ('Health and Lifestyle') als productfilosofie heeft. Philips heeft dan nog drie sectoren: 'Lighting', 'Consumer Lifestyle', en 'Healthcare'
  • 2008: in dit jaar introduceerde Philips flatscreen-televisies met WOWvx-technologie op de markt
  • 2009: Philips neemt de Italiaanse koffiemachinefabrikant Saeco over
  • 2012: Philips sluit een joint venture met het Chinese TPV Technology onder de naam TP Vision voor het ontwerp, en de productie, distributie, marketing en verkoop van Philips-televisies met uitzondering van China, India, de Verenigde Staten, Canada, Mexico en enkele landen in Zuid-Amerika
  • 2013: Philips verkoop van haar Lifestyle Entertainment groep, bestaande uit de onderdelen Audio, Video, Multimedia en Accessories, gaat niet door. Met de verkoop zouden 2000 medewerkers over gaan naar de Japanse koper Funai Electric. Koninklijke Philips Electronics N.V. verandert van naam, de nieuwe naam is Koninklijke Philips N.V.
  • 2014: Philips verkoopt alsnog haar Lifestyle Entertainment groep aan het Amerikaanse Gibson. Philips gaat zich opsplitsen in twee aparte zelfstandige bedrijven, één voor verlichting en één voor gezondheid en consumenten (Healthtech).
  • 2016: In mei kreeg Philips Lighting een eigen notering op de aandelenbeurs.

Bestuursvoorzitters

  • 1891-1899: Frederik Philips
  • 1899-1922: Gerard Philips
  • 1922-1939: Anton Philips
  • 1939-1961: Frans Otten
  • 1961-1971: Frits Philips
  • 1971-1977: Henk van Riemsdijk
  • 1977-1981: Nico Rodenburg
  • 1982-1986: Wisse Dekker
  • 1986-1990: Cor van der Klugt
  • 1990-1996: Jan Timmer
  • 1996-2001: Cor Boonstra
  • 2001-2011: Gerard Kleisterlee
  • 2011-heden: Frans van Houten

President-commissarissen

  • 1977-1986: Henk van Riemsdijk
  • 1986-1994: Wisse Dekker
  • 1994-1999: Floris Maljers
  • 1999-2005: Lo van Wachem
  • 2005-2008: Wim de Kleuver
  • 2008-2011: Jan-Michiel Hessels
  • 2011 ...... : Jeroen van der Veer

Beeldmerk

Het beeldmerk van Philips is omstreeks 1930 ontstaan. Het bestaat uit een cirkel (die de aarde symboliseert), waarin drie horizontale golflijnen (die de radiogolven symboliseren). Linksboven en rechtsonder staan twee vierpuntige sterretjes (zoals sterren vaak verschijnen als ze door een vierkant diafragma gefotografeerd worden). Deze sterren symboliseren het licht.

Boven het cirkelvormige beeldmerk staat vaak de naam PHILIPS, met het geheel in een kader dat de vorm heeft van een wapenschild.

Het beeldmerk werd in 1994 afgeschaft en vervangen door enkel de naam PHILIPS in blauwe letters. In 2013 werd het oude beeldmerk met enkele wijzigingen weer in ere hersteld. Er zijn nu slechts twee golflijnen, de golflengte is langer en de sterretjes zijn anders geplaatst. Daarnaast heeft de bovenkant van het schild sinds de modernisering een lichte bolling.

De sterretjes uit het beeldmerk sieren de klokken van de Philips-beiaard bij het Evoluon.

Trivia

  • Philips was in vroeger jaren niet alleen paternalistisch, maar ook bijzonder ambtelijk. Zo had men niet alleen fabriekskantoren, maar ook kantoor-kantoren, een typische term uit de Philips-woordenschat van toen.
  • Philips is voorstander van de invoering van octrooi op computergeïmplementeerde uitvindingen in de Europese Unie, maar weigert de term "software patent" te gebruiken.

Deze literatuur is zeker niet bedoeld om 100% volledig te zijn maar heeft als hoofddoel een schets te vormen van de geschiedenis van PHILIPS.

Met excuses voor onvolledigheden of evntuele onjuistheden.

Eventuele correcties of opmerkingen zijn steeds welkom via het gastenboek,

waarvoor bij voorbaat mijn dank...

De eerste gloeilampenfabriek van Philips is een gebouw op adres Emmasingel 31 in het centrum van Eindhoven. Het ligt tegenover de Witte Dame en naast de Admirant. Het is eigendom van Philips. Het is een zeldzaam voorbeeld van een kleinschalig fabrieksgebouw en het is nu een rijksmonument.


.